Sinds de late jaren negentig is er een toenemende academische belangstelling voor zogenoemde 'gebruiksfilms': films die bedoeld zijn om te informeren, te trainen of onderwijzen, of te overtuigen van het nut van een service of product. Onderzoek richtte zich tot nu toe vooral op de productie- of distributiegeschiedenis van dergelijke films, of hun pedagogische effectiviteit. Minder aandacht is er voor hun tekstuele dimensie: de middelen die ze inzetten ter onderbouwing van hun informatieve, educatieve of commerciele argument. Intussen hebben gebruiksfilms echter nog steeds het imago van erg 'formulaire' genres. Eef Masson nuanceert dit beeld in haar boek, en stelt een methodologie voor die de aandacht vestigt op de retorische diversiteit van deze films.